Stikstof

Het toetsen van de gevolgen van een tijdelijke stikstoftoename.

free website maker

De hoge stikstoflast is een probleem voor de volksgezondheid, het milieu en de natuur.
Vooral de natuur staat sterk in de belangstelling vanwege de toetsing aan de wet.
De stikstofdepositie in de natuur moet omlaag, maar dat betekent niet dat elke bijdrage een probleem is.

Wat doet stikstof? Een hoge stikstoflast draagt bij aan vermesting van de natuur. Snelgroeiende soorten, zoals veel grassen, profiteren hiervan, terwijl soorten die goed aangepast zijn aan voedselarme omstandigheden verdwijnen.

Daarnaast draagt een hoge stikstoflast bij aan verzuring van de bodem. In de vorige eeuw ontstond door uitstoot van stikstof en zwavel ‘zure regen’. De uitstoot van sulfaat is sterk teruggedrongen, maar de daling van de stikstofuitstoot stagneert.

  • VERMESTING - Dit leidt tot een toename van organisch materiaal op de bodem en snellere groei van hoge kruiden en struiken. Door stapeling van organisch materiaal verdicht de bodem, waardoor de kieming van planten uit open begroeiingen wordt beperkt. De natuurlijke successie van grazige vegetaties naar een begroeiing van hoge kruiden en struiken, en uiteindelijk naar bos, wordt sterk versneld. 
  • VERZURING- De stapeling van organisch materiaal op de bodem is onder normale omstandigheden een traag verlopend natuurlijk proces, dat tot oppervlakkige verzuring kan leiden. Verzuring als gevolg van een hoge stikstoflast versnelt dit proces, vooral waar bufferende omstandigheden – zoals kalkrijke kwel – ontbreken.
  • SLEUTELFACTOREN - Deze bepalen de kwaliteit van het habitat. Naast stikstof zijn dit factoren zoals beheer, waterhuishouding, recreatie en natuurlijke processen als verstuiving en natuurlijke begrazing. Hoe groter de invloed van stikstof, hoe belangrijker het beheer en andere sleutelfactoren worden.

Hoe groter de invloed van stikstof, hoe belangrijker het beheer en andere sleutelfactoren zijn. 

Beheer door maaien en begrazen is erop gericht grazige vegetaties in stand te houden. Deze maatregelen vertragen dus de successie die leidt tot bosvorming. Hoe groter de invloed van stikstof, hoe belangrijker het beheer is. Een hoge stikstoflast maakt de vegetatie bovendien gevoeliger voor verdroging en concurrentie met stikstofminnende exoten. Uiteindelijk kunnen herstelmaatregelen noodzakelijk zijn. Ook al kunnen deze leiden tot herstel van de oorspronkelijke vegetatie, ze zijn ingrijpend voor planten en dieren. Herstelmaatregelen zijn daarmee geen oplossing voor de lange termijn. Alleen een forse daling van de stikstofdepositie kan de kwaliteit van natuurlijke vegetaties op lange termijn waarborgen.


Overbelasting met stikstof beperkt het effect van natuurlijke processen.

Ondanks de structurele overbelasting met stikstof zijn er nog steeds plekken met een goede vegetatiekwaliteit. Vaak betreft het locaties met een strikt beheer en een positieve invloed van andere sleutelfactoren. Ook kunnen herstelmaatregelen hebben bijgedragen aan kwaliteitsverbetering. Deze verbetering heeft zich de afgelopen jaren voorgedaan, in perioden met een hogere depositie dan in de huidige situatie.

Het gaat hierbij om maatwerk dat gepaard gaat met een hoge beheerinspanning, niet om situaties die voornamelijk door natuurlijke processen worden gestuurd. Om het beheer te kunnen extensiveren en de invloed van natuurlijke processen te vergroten en daarmee ook de kosten te beperken, zal de depositie aanzienlijk moeten dalen. Een afname van enkele honderden mol N/ha/jaar is noodzakelijk om de invloed van natuurlijke processen te versterken en zo de kwaliteit duurzaam te behouden.

Voor elk habitattype is een kritische grens bepaald voor de stikstofdepositie. Komt de depositie boven deze grens, dan is het niet uitgesloten dat dit negatieve gevolgen heeft voor de kwaliteit van het habitattype. Eerst zullen soorten verdwijnen, verarmt het habitat, en op langere termijn verdwijnt ook het habitat zelf. Hoe lager de kritische depositiewaarde (KDW), hoe gevoeliger het habitat is voor stikstof.


Beoordeling van een tijdelijke bijdragen aan de stikstofdepositie. 

Een tijdelijke bijdrage aan de stikstofdepositie wordt ook wel de realisatiefase genoemd, of bij woninbouw de bouwfase. Deze bijdrage stopt zodra het project is gerealiseerd. Indien er in de daaropvolgende gebruiksfase sprake is van een bijdrage, dan is deze structureel van aard. Omdat de stikstofdepositie omlaag moet is een bijdrage, tijdelijk of structureel, ongewenst. Deze leidt immers tot een verhoging van de depositie. De eerste vraag is dan ook of een tijdelijke bijdrage effect heeft op de ontwikkeling van de achtergronddepositie.

Een tijdelijke projectbijdrage moet — in samenhang met andere projecten — worden beoordeeld op de bijdrage aan de langjarige structurele overbelasting, ook wel de achtergronddepositie genoemd.

Bijdragen van minder dan 0,1 mol N/ha/jaar zijn doorgaans te gering om invloed te hebben op de ontwikkeling van de achtergronddepositie. Ook als er veel andere projecten met kleine bijdragen zijn die gelijktijdig worden uitgevoerd. Het valt echter niet uit te sluiten dat een ander project een bijdrage van meerdere mol levert en daarmee wél effect heeft op de achtergronddepositie. Een dergelijk project kan afzonderlijk worden beoordeeld. 

De achtergronddepositie in AERIUS is berekend op basis van jaarlijkse metingen, zonder onderscheid tussen tijdelijke en permanente bronnen. Tijdelijke bijdragen, zoals die tijdens de bouwfase van woningbouwprojecten, maken daarmee ook deel uit van de metingen. Deze metingen worden elk jaar geëxtrapoleerd naar het huidige jaar en de komende jaren. Omdat bouwprojecten elkaar in tijd en locatie opvolgen, is een deel van de tijdelijke stikstofdepositie al meegenomen in de lokale achtergronddepositie.

Beheer- en herstelmaatregelen zijn noodzakelijk om de instandhoudingsdoelen — zoals het behoud of de verbetering van de kwaliteit van habitattypen — te realiseren. Projecten mogen de realisatie van instandhoudingsdoelen niet in de weg staan. Als dat wel zo is zullen maatregelen nodig zijn om de negatieve gevolgen te voorkomen, te beperken of te compenseren. Bij een projectbijdrage moet dus beoordeeld worden of deze gevolgen heeft voor uitgevoerde of nog uit te voeren instandhoudingsmaatregelen. 

Een tijdelijke projectbijdrage mag geen negatief effect hebben op het rendement van beheer- en herstelmaatregelen die gericht zijn op het behoud of de verbetering van de kwaliteit van habitattypen.

Bijdragen van minder dan 0,1 mol N/ha/jaar zijn doorgaans te gering om invloed te hebben op deze maatregelen. Veel van deze maatregelen zijn gericht op het verwijderen van stikstofhoudende biomassa, waarbij het kan gaan om hoeveelheden van enkele honderden tot meer dan duizend mol N/ha/jaar. Een tijdelijke bijdrage van minder dan 0,1 mol valt daarbij in het niet en heeft geen gevolgen voor het rendement van maatregelen die gericht zijn op het behalen van de instandhoudingsdoelen.

SamengevatTijdelijke bijdragen van minder dan 0,1 mol N/ha/jaar hebben geen invloed op de ontwikkeling van de achtergronddepositie en op instandhoudingsmaatregelen voor stikstofgevoelige habitattypen. Daarmee kunnen effecten op de instandhoudingsdoelen voor deze habitattypen worden uitgesloten. Dit leidt tot de formele conclusie:

Tijdelijke projectbijdragen van minder dan 0,1 mol leiden niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden waarop het project effect heeft.

 De Natura 2000-beheerplannen, natuurdoelanalyses en aanvullende literatuur bieden voldoende informatie om dit per gebied en habitattype te onderbouwen.

Nog steeds zijn veel stikstofgevoelige habitattypen fors overbelast. De kritische depositiewaarde voor deze habitattypen wordt overschreden. Om de kwaliteit van deze habitattypen blijvend te verbeteren en te behouden, moet de achtergronddepositie met enkele honderden tot meer dan 1.000 mol N/ha/jaar omlaag. Dit is een forse opgave, waarbij elke extra bijdrage contraproductief is. Om deze opgave te realiseren, moeten bronmaatregelen worden getroffen die de depositie met honderden mol kunnen verminderen. Deze bronmaatregelen zullen met name betrekking hebben op sectoren die een groot aandeel hebben in de stikstofdepositie. De bouwsector valt daar niet onder. Een tijdelijke stikstofbijdrage als gevolg van woningbouw, van minder dan 0,1 mol, is zo gering dat deze de opgave niet verzwaart.