Voormalig intergetijdegebied langs de Friese IJsselmeerkust

De relatie tussen bodem, grondwater en vegetatie

develop your own website

Langs de Friese IJsselmeerkust liggen enkele zandplaten van de voormalige Zuiderzee, die na voltooiing van de Afsluitdijk permanent droog zijn komen te liggen. In de vegetatie, zoals die zich tot eind vorige eeuw heeft ontwikkeld, is de oorsprong van deze platen nog steeds zichtbaar.

Langs het IJsselmeer liggen de buitendijkse gebieden Stoenk Herne, Workumerwaard, Kooiwaard en Makkumerwaard. Het zijn zandplaten die na afsluiting van de Zuiderzee in 1932, deels droog zijn komen te liggen.  Het IJsselmeer is vrij snel zoet geworden, waarna de zandplaten ontzilten. De zouttolerante vegetatie werd geleidelijk vervangen door een zoutmijdende vegetatie. 

Bodemopbouw Kooiwaard

De gebieden verschillen weinig in bodemtype en hoogteligging. De bodem bestaat uit middelfijn zand op een ondoorlatende laag van klei en veen. 

In de beginjaren, toen er nog weinig begroeiing was, stuwde aanhoudende westenwind het water van het IJsselmeer tegen de platen op. Daarbij werden plantenresten afgezet. Wanneer de platen droog stonden, stoof de wind zand over de aangespoelde resten. Zo ontstond een microreliëf van kopjes, richels en laagtes. In de loop der jaren ontwikkelden zich rietoevers langs de platen, waardoor de invloed van het IJsselmeer afnam.

De zilte oorsprong, de bodemopbouw en het microreliëf beïnvloeden de ontwikkeling van de vegetatie. Door neerslag en overspoeling met zoet IJsselmeerwater spoelt het zout langzaam uit de bodem. Door de ondoorlatende laag verloopt dit proces traag. Vijftig jaar na de afsluiting van de Zuiderzee waren de gebieden nog steeds niet volledig ontzilt. Een deel van het zout spoelt in natte perioden naar beneden, maar komt in droge perioden weer naar boven doordat het grondwater door verdamping en capillaire werking omhoog trekt.

Bij de kopjes en laagtes heeft de wintergrondwaterstand invloed op de vegetatie. Op de kopjes percoleert regenwater, waardoor de wintergrondwaterstand lager is dan in de omliggende laagtes. De kopjes zijn daardoor oppervlakkig beter ontzilt dan de lage plekken, wat zichtbaar is in de vegetatie.

De door mensen gegraven sloten en greppels hebben een vergelijkbare invloed als het microreliëf. De waterhoudende sloten hebben in de winter een drainerende werking. In de zomer, wanneer de grondwaterstand laag is, infiltreert water vanuit de sloot naar het aangrenzende perceel. De oevers zijn hierdoor beter ontzilt dan het midden van de percelen. Ook dit is terug te zien in de vegetatie, waar zoutmijdende planten vooral langs de oevers staan.


De gezamelijke invloed van bodemsamenstelling en vochthuishouding.

Londo (1971) definieerden een viertal vochtklassen voor plantengemeenschappen: 

De Hydroserie omvat de gemeenschappen die zich geheel onder water bevinden of drijvend op het wateroppervlak voorkomen (waterplanten).

De Hygroserie omvat de gemeenschappen vanaf de zone met ondiep water die alleen ’s zomers droogvalt, tot en met de zone die uitsluitend in natte winters geïnundeerd wordt.

De Mesoserie sluit aan op de Hygroserie, maar wordt nooit geïnundeerd en loopt tot waar de invloed van het laagste grondwater nog net merkbaar is in de kruidlaag.

De Xeroserie komt voor op plaatsen waar het grondwater zo diep staat dat het geen invloed heeft op de samenstelling van de kruidlaag.

Vochtklassen Londo 1971

De vegetatieseries van Londo geven een verband tussen de vochtklasse van de vegetatie en de grondwaterstand. De grondwaterstand wordt meestal weergegeven als GHG (gemiddelde hoogste grondwaterstand) en GLG (gemiddelde laagste grondwaterstand). Voor de vegetatie is ook de GVG (gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand) van belang, omdat deze de vochttoestand aan het begin van het groeiseizoen weergeeft.

Ter illustratie is hier het verband weergegeven tussen grondwaterstand en de dichtheid van rietorchis, zoals dit op Stoenk Herne is onderzocht.

Rietorchis, dichtheid en grondwaterstand

Er bestaat ook een verband tussen de vochtklasse van de vegetatie en de bodemsamenstelling. De grens tussen de mesoserie en de xeroserie ligt daar waar het lage grondwater door de capillaire werking van de bodem nog voor planten bereikbaar is. Deze capillaire werking is afhankelijk van de korrelgrootte van de bodem. Voor zandbodems wordt dit weergegeven als het U-cijfer: hoe hoger het U-cijfer, hoe grover de korrel.

Zandbodems langs de Friese IJsselmeerkust hebben een U-cijfer van 90 tot 100. Zoals op de figuur hieronder is weergegeven, bedraagt de capillaire stijghoogte hier ongeveer 1 meter. Dat wil zeggen: bij een grondwaterstand van 1 meter onder maaiveld is er nog een aanvoer van circa 4 mm per dag. Dit is voldoende om vochttekorten voor de vegetatie te voorkomen. Bij diepere grondwaterstanden is de capillaire werking onvoldoende en treden vochttekorten op. De figuur geeft ook aan dat bij grovere zandbodems eerder verdroging optreedt.

Grofheid zand en capillairewerking

Publicaties

De buitendijkse natuurgebieden langs de Friese IJsselmeerkust: bodem, grondwater en vegetatie. RIJP, Flevobericht 287. Bewerkt als Wetenschappelijke mededeling KNNV nr. 194. H. Slager & G.F.J. Smit, 1988.

Voormalige zandplaten in het Veerse Meer: bodem, grondwater en vegetatie. RIJP, Flevobericht 289. G.F.J. Smit & J. Visser, 1988. 

De waarden langs de Friese IJsselmeerkust: samenhang tussen bodem, hydrologie en vegetatie. Landschap 4 (4). H. Slager & G.F.J. Smit, 1987.

De samenhang tussen bodem, hydrologie en vegetatie in het Veerse Meer en de Braakman. Landschap 4 (4). H. Slager & G.F.J. Smit, 1987.